Waarom privacy zo moeilijk verkoopt

Op 6 augustus 2006 ondertekende het Amerikaanse parlement een nieuwe wet die de overheidsinstanties meer afluistermogelijkheden biedt in de strijd tegen het terrorisme. De activisten waren er uiteraard als de kippen bij om de privacybedreigende aspecten van de wet te bekritiseren. De modale burger lijkt er daarentegen niet wakker van te liggen. Een mooie illustratie van het feit dat privacy moeilijk verkoopt.
Het recht op privacy wordt algemeen erkend als een mensenrecht, net zoals het recht op vrije meningsuiting. Dit recht is echter niet absoluut, en zal – net als alle mensenrechten – regelmatig conflicteren met andere mensenrechten. Hoewel de rechtspraak er, vooral de laatste jaren, een groeiend belang aan hecht, zal dit recht bijna altijd het onderspit delven wanneer het in conflict komt met andere rechten en belangen.
Zo ruilt het Amerikaanse parlement met de nieuwe wet weer maar eens een gedeelte privacy in voor een verhoopt gevoel van extra veiligheid. Vanuit dezelfde gedachtegang heeft de Europese wetgever in 2006 de Dataretentierichtlijn aangenomen, die operatoren verplicht om allerhande communicatiegegevens te bewaren gedurende een termijn van 6 tot 24 maanden. Ook de meeste burgers zullen graag wat privacy prijsgeven in ruil voor, pakweg, gratis software.
Ik zie drie redenen waarom privacy voorlopig het zwakkere broertje van de andere mensenrechten zal blijven. Vooreerst is het hele concept ‘privacy’ moeilijk af te bakenen. Velen verengen privacy tot slechts één aspect, bijvoorbeeld het recht om alleen gelaten te worden, of het recht om onfrisse persoonlijke details geheim te mogen houden. Nochtans gaat privacybescherming evenzeer over het verbod om terecht verkregen informatie niet onterecht te verspreiden en het recht om zich te verzetten tegen geautomatiseerde beslissingen.
Daarnaast staat privacy vaak in een slecht daglicht wanneer het in een juridische context wordt aangehaald. Privacy wordt dan immers geassocieerd met geniepige juridische verdedigingsmechanismen, zoals de recente vrijspraak van een drugskoerier wegens de aanwezigheid van een cameraploeg bij zijn arrestatie. Die zorgen ervoor dat het niet populair is om te schermen met privacyargumenten, want minstens zal de gedachte ontstaan dat men iets onwettigs te verbergen heeft.
Tenslotte levert privacy weinig directe voordelen op, en ontstaan problemen op dit vlak altijd maar op de lange termijn. Andere mensenrechten (zoals het verbod op foltering, het recht op vrije meningsuiting en het recht op veiligheid) zijn veel concreter, en een schending ervan levert duidelijke en onmiddellijk problemen op.
De schade die wordt aangericht doordat iemands gegevens onterecht in duizend databanken terechtkomt, doordat zijn alledaagse telefoongesprekken worden geregistreerd, of doordat zijn jeugdfoto’s worden rondgemaild, is daarentegen onduidelijk en beperkt.
Het mag dan ook niet verbazen dat de interesse voor privacybescherming doorgaans erg lauw is. De digitale evolutie vormt echter een exponentieel grotere bedreiging voor de privacy, zodat bij rechters en wetgevers stilaan toch de overtuiging groeit dat een adequate bescherming noodzakelijk is.
Wat niet wegneemt dat zij, net als iedereen, een erg duale houding aannemen tegenover de bescherming van de privacy, en dit recht maar al te graag doen sneuvelen wanneer andere waarden op het spel staan.
Prof. Dr. Patrick Van Eecke is advocaat gespecialiseerd in IT-recht bij DLA Piper. Hij doceert tevens IT-recht aan Queen Mary University, London en aan de Universiteit Antwerpen.














