EUPL: the new kid in town

Onlangs werd versie 1.0 van de European Union Public License (EUPL) officieel geïntroduceerd door de Europese Commissie. De EUPL is het Europese antwoord op de alomtegenwoordige GNU Public License (GPL) en andere typisch Amerikaanse open bronlicenties. De EUPL gebruikt dezelfde principes als versie 2.0 van de GPL, waardoor broncode vrij gebruikt mag worden, op voorwaarde dat de (gewijzigde) broncode ook weer verder verspreid wordt. De Europese Commissie hoopt dat enkele unieke kenmerken van de EUPL Europese overheden, publieke instanties én privé-ontwikkelaars ertoe zullen aanzetten de EUPL te verkiezen boven de GPL. Terecht?
Een eerste belangrijk kenmerk van de EUPL is zijn meertaligheid: deze licentie is niet alleen in het Engels beschikbaar, maar in al de 23 officiële talen van de Europese Unie. Zoals het geval is met de meeste wetgeving op Europees niveau, is elke vertaling daarbij juridisch evenwaardig. In de lidstaten waar het Engels wat minder ingeburgerd is, zal dit alvast voor een voorsprong zorgen in vergelijking met de GPL, waarvan de ontwerpers (de Free Software Foundation van openbrongoeroe Richard Stallman) altijd halsstarrig geweigerd hebben ook maar één officiële vertaling toe te staan.
Het belangrijkste voordeel van de EUPL is echter zijn juridische afdwingbaarheid. Het is bekend dat Europese juristen die voor het eerst met de GPL geconfronteerd worden, behoorlijk wat moeite hebben om deze licentie te begrijpen. Hoewel het vreemde copyleft principe dat aan de GPL ten grondslag ligt (de absolute vrijheid van hergebruik van broncode) hier voor een groot stuk verantwoordelijk voor is, zijn ook de typisch Amerikaanse structuren en bewoordingen van de GPL een bron van moeilijkheden. De EUPL heeft hier – mede door de vertalingen – veel minder last van.
Meer fundamenteel nog is het probleem dat sommige delen van de GPL ongeldig zouden zijn in sommige Europese lidstaten. Die potentiële (gedeeltelijke) ongeldigheid van de GPL mag zeker niet overdreven worden: het gaat voornamelijk om theoretische problemen waarover enkel juristen zich zorgen moeten maken. Een zeker risico blijft echter bestaan voor de GPL, wat liefst toch vermeden wordt door de bedrijfswereld. De EUPL ‘voelt’ daarentegen aan als een traditioneel Europees contract, en werd bovendien op vraag van de Europese Commissie grondig gescreend door advocaten in alle Europese lidstaten. Het gevaar dat een rechter ergens in Europa de EUPL ongeldig zou verklaren, is daardoor bijzonder klein, zeker in vergelijking met de Amerikaanse openbronlicenties.
Tenslotte is het belangrijk om aan te stippen dat de EUPL ‘compatibel’ is met versie 2.0 van de GPL en enkele andere openbronlicenties. Dit zorgt ervoor dat broncode die oorspronkelijk onder de EUPL werd geplaatst, zonder problemen kan worden gebruikt in GPL-projecten (de omgekeerde situatie gaat niet op). Met deze compatibiliteit wil de Europese Commissie tegemoet komen aan de achilleshiel van de EUPL, namelijk de hegemonie van de GPL. Ontwikkelaars die kiezen om hun software onder een openbronlicentie te verspreiden, kiezen namelijk haast automatisch voor de GPL.
Hoewel de EUPL op juridisch vlak dus over enkele sterke troeven beschikt valt het nog af te wachten of Europese ontwikkelaars deze troeven zullen erkennen. De Europese Commissie neemt alvast het voortouw en stelt enkele van haar eigen softwareprojecten beschikbaar onder de EUPL. Eat your own dogfood, zoals ze zeggen.
Prof. Dr. Patrick Van Eecke is advocaat gespecialiseerd in IT-recht bij DLA Piper. Hij doceert tevens IT-recht aan Queen Mary University, Londen, en aan de Universiteit Antwerpen.














