Alles op het netwerk, tot uw schoenen toe

Over enkele jaren zijn computers overal. Meer nog, er zijn zelfs geen computers meer nodig om aan computing te doen: zelfs onze tandenborstel zal een eigen IP-adres dragen. Althans, dat denkt Adam Greenfield, docent aan het Interactive Telecommunications Program van de universiteit van New York. In Leuven zette hij zijn visie uitgebreid uiteen, in het kader van de leerstoel ‘Microsoft Research Chair on Intelligent Environments’ van de Leuvense universiteit. ‘Ubiquitous computing’, computing die alomtegenwoordig is, zou de toekomst zijn. IT Professional stelde hem enkele vragen.
IT Professional: U zegt dat alle producten op termijn een link met IT zullen hebben. Gaan bedrijven zoals Nike dan meer naar IT bewegen, of gaan IT-bedrijven breder gaan dan IT alleen?
Ik denk dat het tegelijkertijd in beide richtingen gaat. Een van de originele stimulansen in de markt van ubiquitous computing was net toegang proberen te krijgen tot markten buiten de pc. De pc-markt is verzadigd. Het is heel gewoon geworden. U kan een laptop kopen voor 200 dollar en de winstmarges zijn compleet in mekaar gestuikt. Gaming is zeker en vast in die bredere richting aan het bewegen, idem voor mobiele apparaten. Dus de grote financiële mogelijkheden van de volwassen technologieën zijn in feite verdampt. Het echte potentieel zit in everyware, alomtegenwoordige technologie die mensen in hun dagelijks leven gebruiken. Je hebt een onbegrensde hoeveelheid raakvlakken die beschikbaar worden en die mogelijk als inkomstenstromen kunnen worden gerecupereerd. U kan bijvoorbeeld licenties verkopen voor voetpaden in de stad. Dat is een extreem voorbeeld, maar het is een mogelijkheid.
Dus aan de ene kant heb je de traditionele technologiebedrijven, zoals hardwaremakers en witgoedproducenten, die zich bewust worden van het volledige potentieel van de digitale systemen die in hun producten zijn geïmplementeerd. En dan zijn er ook bedrijven zoals Nike, die lifestyleproducten maken en die steeds meer beginnen te profiteren van de uitzonderlijk lage drempel om je producten met digitale technologie uit te rusten. Dat levert voor hen hogere winstmarges op.
Apple Computer veranderde zijn naam dit jaar in Apple Inc. Illustreert dit dat bedrijven bewust in die bredere richting evolueren?
Bij Apple hebben ze dat altijd al begrepen. Sinds de oorspronkelijke iMac begrepen ze dat ze de ‘digitale hub’ hadden, en werkten ze vanuit de ‘digitale lifestyle-hub’-strategie. Apple heeft altijd ingezien dat wat nog niet zo lang geleden businessmachines waren, nu lifestylemachines zijn. Het gaat om de raakvlakken met het dagelijkse leven, of het nu entertainment, fitheid of gezondheid is. Daar zijn ze bij Apple erg hard mee bezig.
Andere bedrijven weten wel dat er iets aan het gebeuren is, maar weten niet zeker hoe ze er op moeten inspelen. Ze steken overal RFID’s (radio frequency identification, red.) in en ontwikkelen zaken als netwerkkoelkasten. Ze weten dat uiteindelijk alles via een netwerk met elkaar in verbinding zal staan, maar ze weten nog niet hoe ze er een werkelijke extra waarde voor de consument uit kunnen halen. Een bedrijf als Nike daarentegen begrijpt zijn doelpubliek zeer goed. Ze zijn in staat om oplossingen te creëren met digitale technologie waarvan ze weten dat hun klanten ervoor willen betalen.
Aan de andere kant, waneer Whirlpool een koelkast of een wasmachine ontwerpt die kan netwerken, dan slaan ze de bal mis. Zo kon een koelkast van LG koelingspatronen downloaden. Ze moeten gedacht hebben “mobiele telefoons kunnen ringtones downloaden, wat als koelkasten nu eens koelingspatronen konden downloaden?” Wie heeft dat nodig? Wie wil er nu zoiets?
Er zijn dan bedrijven die zeer slim zijn, zoals Philips. Ze doen geweldige dingen, maar ze hebben de consument nog geen toegevoegde waarde kunnen bieden. Zo hebben ze een televisie die Ambilight heet, die gekleurd licht projecteert op de muur. Heeft iemand ooit om die feature gevraagd? Wil iemand het? Wordt het gebruikt? Ervaren de gebruikers een toegevoegde waarde, en zijn ze ook bereid om daarvoor te betalen?
Het gaat dus om features die de consument wil. Dus die consument wil ubiquitous computing?
Ik denk dat mensen altijd hoogstaande verlangens in hun leven hebben. Daarmee heb ik het over vrij abstracte verlangens, zoals “ik wil meer tijd met mijn familie doorbrengen”, “ik wil minder tijd aan e-mail spenderen”. Daar hebben verschillende zaken mee te maken. Uit consumentenonderzoek gedurende de laatste veertig jaar bleek dat je mensen niet kan vragen wat ze willen, omdat ze niet kunnen verduidelijken wat ze willen. Je moet contextueel te werk gaan, aan echt etnografisch onderzoek doen. Dat is moeilijk, tijdrovend en kost veel geld. Maar zo kunnen we echt doorgronden wat mensen met die technologie willen doen. Maar als je dan die behoefte vrij accuraat hebt kunnen aflijnen, is technologie dan wel de beste manier om die behoefte te bevredigen?
Neem bijvoorbeeld Puma. Zij hebben een product, ‘Train Away’, dat een kledinglijn is met een digitale component in verwerkt. Het idee erachter is dat ik, wanneer ik op reis ben, mijn sportroutine wil aanhouden en in vorm wil blijven. Daarom hebben ze een digitaal element aan de kleding toegevoegd. Het is allemaal zeer goed ontworpen, maar bij Puma heeft niemand zich ooit de vraag gesteld: “Bevredigt deze oplossing die behoefte wel? We hebben die online-component toegevoegd, we hebben veel geld in mp3-audiotours en de website gestoken, maar zorgt dat ervoor dat ik loopschoenen ga meenemen wanneer ik op reis ben?” Ik denk het niet.
Je kan enorme inspanningen leveren om iets esthetisch in orde te krijgen, maar dat toch die behoeften niet kan bevredigen. Ik denk dat het voor bedrijven noodzakelijk is te investeren in diepgaande etnografie, als ze hierin willen slagen.
Zijn IT-bedrijven verplicht deze trend te volgen, of kunnen ze ook zeggen “dit interesseert ons niet” zonder uit de markt geduwd te worden?
Er zijn zeer concrete voordelen verbonden aan producten te laten netwerken. Ik denk dat op een bepaald punt die voordelen zo duidelijk worden, dat het voor zowat iedereen onweerstaanbaar wordt om erin mee te gaan. Of je nu meubels of kleding produceert, het maakt niet uit. De voordelen gaan zo duidelijk zijn dat het relatief uitzonderlijk zal zijn om producten tegen te komen die geen ubiquitous computingfunctionaliteit hebben ingebouwd op een of andere manier.Ik geloof dat binnen tien jaar zowat elk gebruiksvoorwerp dat we bij ons hebben, dat we op dagelijkse basis gebruiken, dergelijke functionaliteit zal bezitten. Ik wil geen waarzegger spelen, en zo ver vooruit voorspellingen doen is niet zonder risico, want de maatschappij is zo volatiel. Toch denk ik dat het voor bedrijven, en dan vooral ondernemingen met een verantwoordelijkheid naar aandeelhouders toe, moeilijk wordt om te verantwoorden waarom ze de trend niet volgen wanneer al de rest het wel doet. Of wordt het een eigenschap om zich te onderscheiden en zeggen ze “wij zijn retro”, of ze verkopen het als een voordeel dat het op een of andere manier niet netwerkt. Om privacyredenen, bijvoorbeeld.
Ze kunnen het ontbreken van die functionaliteit dus portretteren als een toegevoegde waarde, of ze kunnen de handdoek in de ring gooien.
Zal deze trend de werkomgeving veranderen?
Absoluut. Op de NYU (New York University, red.) gebruikten we software van Adobe, zoals Illustrator. Er was toen een ‘per seat’ licentie, waardoor je pakweg zes machines het programma kon laten draaien. Er was dus een computerzaal waar de mensen naartoe gingen. Dat had juridische en financiële redenen, zo kon je controleren op welke machines die applicatie stond. We zijn dan overgestapt op openbronsoftware en plots was er geen sprake meer van ‘per machine’ licensing. Je kon machines op de hele verdieping de software laten draaien. En plots konden ze de muren van het computerlab
wegkappen en volledige toegang tot die applicaties mogelijk maken op de hele verdieping.
In businessomgevingen zullen de veranderingen analoog verlopen. Er zullen zaken zijn die je nog altijd vanop een bureau moet doen, en er zullen waarschijnlijk nog zaken zijn die plaatsvinden in vergaderzalen, maar alles zal een platform worden. Auto’s, huizen… We zullen dus een migratie zien van werk, weg van het kantoor, naar de stad en de andere omgevingen waar we onze tijd doorbrengen. Je ziet dat al gebeuren in Starbucks (Amerikaanse koffieketen, red.), je ziet mensen hun e-mail thuis beantwoorden, ’s nachts…
Overal uw gegevens kunnen raadplegen, past dat concept in dit plaatje?
Ja, maar het zal zoveel problemen scheppen als het oplost. Zo is het een nachtmerrie wat intellectueel eigendom betreft. Ik geloof niet zozeer in een strenge controle op het intellectueel eigendom, maar ik denk toch dat er een nut voor is. Maar als u bijvoorbeeld projecten hebt waarmee u enkel op het werk mee kan bezig zijn door een bepaalde beveiliging- of IP-limitaties, dan kan u daar per ongeluk files van transporteren via uw kledij wanneer ze op ‘ubiquitous’ wijze in omloop zijn. En dan zouden die bestanden automatisch naar je thuisserver worden getransfereerd wanneer u thuis aankomt. U zal er daar niet aan kunnen werken, maar het houdt wel privacy- en veiligheidsrisico’s in. Op zo’n vlakken kan het mislopen.
Er zijn ook implicaties op het gebied van versioning, wanneer wijzigingen worden aangebracht aan bestanden waar u in een bepaalde omgeving aan hebt gewerkt, en die wijzigingen niet worden weergegeven in een andere omgeving. Er is een soort van synchronisatie nodig en dat zal zeer uitgebreid moeten worden uitgewerkt, zodat alle aanpassingen overal worden opgenomen, of u nu op een mobiel toestel werkt, op een desktop op het werk of op een computer in een koffiebar.Concepten zoals privacy of de ‘veilige thuishaven’ zijn al lang geërodeerd. Het gaat er niet om dat ik op het werk naar mijn favoriete websites kan surfen, het gaat erom dat mijn baas me ’s nachts kan opbellen thuis. Het gaat erom dat het werk mijn vrije tijd thuis begint te koloniseren. Ik denk dat de grenzen die tijdens de twintigste eeuw zijn opgetrokken, verder zullen worden uitgehold op manieren die niet altijd positief zijn voor de levenskwaliteit en het persoonlijk geluk. Zelfs niet voor de productiviteit. Maar na verloop van tijd, wanneer dit proces pakweg vijftig jaar gevorderd is, zullen we er wel achter komen hoe we ermee moeten omgaan. Dan zullen we wel weten hoe we een goede balans kunnen vinden tussen productiviteit en het persoonlijk leven.
Er zal dus veel tijd nodig zijn om een passende deontologie te ontwikkelen in deze informatiemaatschappij?
Het zal veel tijd vergen. En veel gebroken harten en echtscheidingen.
Houdt deze ‘ubiquitous computing’-trend niet het gevaar in dat mensen te afhankelijk worden van een enkele producent? Zo kunnen iPod-gebruikers enkel muziek kopen in de iTunes Music Store. Gaat zo’n gesloten model niet overheersen?
Ik heb een boon voor Apple, maar daar gaan ze in de fout. Het is interessant, want Apple heeft de uitzonderlijke gave om de affectie van zijn gebruikers te mobiliseren. Wat er nu gebeurt bij het uitrollen van hun ‘digital lifestyle’-strategie, het betrokken raken in steeds meer aspecten van uw leven, is dat ze dat gesloten systeem willen behouden. Het is verbazingwekkend als je hun populariteitscijfers van het afgelopen jaar bekijkt. U ziet dat absolute Apple-fans, die de reputatie van het bedrijf met hand en tand zouden verdedigen, zich nu vragen beginnen te stellen. Ik reken mezelf tot die groep. Ik heb nooit een computer gehad die geen Apple-computer was, ik zou nooit een pc aanraken. De enige keer dat ik een digitale muziekspeler had die geen iPod was, was toen er nog geen iPods bestonden. Ze doen geweldige dingen.
Maar ze beginnen van de beloning naar het risico te bewegen. En ik denk dat ze het aan het verknallen zijn. Ik denk niet dat ze beseffen hoe schadelijk die mentaliteit van een gesloten systeem is op de perceptie die de mensen hebben wanneer ze een Apple-product kopen. De affectie die gebruikers rond Apple hebben suggereert vrijheid, mogelijkheden en openheid. En die verwachtingen worden met de voeten getreden door hun domme DRM. Ik denk dat hier moet worden opgelet voor Sony en de Zune van Microsoft. Wanneer u op een domme manier met DRM omgaat en u de gebruikers beledigt, dan faalt uw ethiek.Aan de andere kant heb je Google, dat zopas zijn platform voor mobiele telefoons, Android, voorstelde. Het gaat om een open platform waar elke ontwikkelaar applicaties voor kan ontwikkelen. Is dat een beter model?
Het is een ander model dat zijn eigen problemen heeft. Ik heb net anderhalf uur gesproken over het belang van de gebruikservaring, ik ben politiek geëngageerd voor open source, maar toon mij eens een openbronapplicatie die ooit een echte commerciële waarde had. Firefox bijvoorbeeld. Ja, er zijn allerlei plug-ins voor beschikbaar en u kan verschillende skins gebruiken, maar het is een gebruikservaring die een stap terug zet. Doordat Apple zo’n gesloten model hanteert kunnen ze de gebruikservaring wel zeer verregaand verfijnen. Ik zou graag een open omgeving zien die net datzelfde niveau van de verfijnde, geoptimaliseerde gebruikservaring bereikt, zonder het systeem af te sluiten. Ik denk niet dat dit onmogelijk is, maar het zal ook een enorme uitdaging zijn die vele jaren nodig zal hebben.
Dus uiteindelijk zullen producten die hoog inzetten op gebruiksgemak succesvol worden?
Ik hoop het in elk geval. Ik zou het graag zien gebeuren dat mensen geld investeren in producten die gebruiksvriendelijkheid vooropstellen. Maar wat je dan ziet in de VS is dat mensen prijsbewuste keuzes maken. In de luchtvaart bijvoorbeeld, betalen mensen bewust voor producten waarvan ze weten dat de gebruikservaring inferieur is. Ze willen zelfs geen twintig dollar extra betalen voor een betere ervaring. Zo kan u in China een namaak-iPhone kopen, die niets van de iPhone-functionaliteit bezit, maar het uiterlijk lijkt erop en voor vele gebruikers is dat voldoende. Ik vrees dus dat mensen niet zullen willen investeren in een betere gebruikservaring omdat het hen eigenlijk niet interesseert. En daarom moeten er tot op een bepaald punt voortrekkers zijn die het belang van de gebruikservaring aantonen, en ik dat hoop ik met mijn werk te bereiken.












