Volgens Amerikaanse overheidsmedewerkers is Sony Pictures wel degelijk door Noord-Korea aangevallen. Dat zou gebeurd zijn via servers in Taiwan.

Nadat The New York Times schreef dat de Amerikaanse overheid er van uit gaat dat Noord-Korea wel degelijk betrokken is bij de digitale inbraak bij Sony Pictures, duiken stilaan meer details op over hoe de kraak uitgevoerd werd.

Volgens het actualiteitenprogramma NBC Nightly News zou dat gebeurd zijn via servers in Taiwan. Bij de aanval werden duizenden bestanden online gelekt, waaronder de social security-nummers van beroemde filmsterren, intern e-mailverkeer en zelfs complete, nog onuitgebrachte films.

 

De kraak kwam er als vergelding voor het maken van de komische film The Interview, waarin twee reporters die de kans krijgen om de Noord-Koreaanse leider Kim-Jong Un te interviewen, door de CIA gevraagd worden om hem te vermoorden. Een groep hackers die zich The Guardians of Peace noemt, had gedreigd om Sony aan te vallen als vergelding voor het maken van de film.

200 miljoen dollar kwijt
Intussen heeft Sony aangekondigd dat het de prent heeft teruggetrokken en dat hij nergens te zien zal zijn, ook niet later op dvd of Blu-ray of via video on demand.

Volgens het persagentschap Bloomberg ligt de totale kostprijs van het fiasco voor Sony op een kleine 200 miljoen dollar. Dat bedrag omvat de ongeveer 80 miljoen dollar om de film te maken en te marketen, de kosten voor het opschonen van het IT-netwerk, de verloren productiviteit en de imagoschade.

Noord-Korea heeft de aanval ontkend, maar zegt er wel sympathie voor te hebben. Het magazine Wired schrijft dat er zowel aanwijzingen voor als tegen de betrokkenheid van het communistische land zijn. Hoe dan ook hebben de bedreigingen niet kunnen voorkomen dat beelden van een ontploffende Kim-Jong Un op het internet werden gelekt