Het datacenter is de drijvende kracht achter grote hoeveelheden data en hypermoderne cloudapplicaties. Maar wat komt er kijken bij zo'n datacenter en doe je dat best zelf, of huur je capaciteit elders?

Het datacenter is de drijvende kracht achter grote hoeveelheden data en hypermoderne cloudapplicaties. Maar wat komt er kijken bij zo’n datacenter en doe je dat best zelf, of huur je capaciteit elders?

Dat het volume aan data toeneemt hoeven we u niet meer te vertellen. Maar het is wel de kunst om die data veilig en betrouwbaar beschikbaar te hebben voor uw bedrijf en dat aan de optimale kostprijs. En dat optimale is niet altijd de oplossing met het laagste prijskaartje of de beste service.

Luc Verbist, CIO van De Persgroep, legt uit hoe zijn bedrijf met datacenters omgaat. Met meer dan drieduizend personeelsleden in België en Nederland is dit een mediabedrijf van formaat met kanalen als print, radio, tv en internet die elk hun specifieke noden hebben.

De Persgroep heeft zijn eigen datacenter en handelt veel zelf af. “Wat we standaard doen bij een overname is de IT er uitgooien en onze eigen systemen uitrollen.” Wat op die schaal kostenbesparend en snel rendabel is. Tegelijk wordt er maar in beperkte mate gevirtualiseerd omwille van een hoge latency van applicaties en omdat het bedrijf vaak met grote bestanden werkt. “Bovendien moeten we ook non-connected kunnen werken. Als je journalisten op verplaatsing hebt dan hebben ze niet altijd een stabiele internetverbinding. Wij kunnen een krant maken, zelfs als onze datacenters down zijn.”

Praktisch vertaalt zich dat wel in zware investeringen. Een datacenter opzetten met meedere stroombronnen, netwerkaansluitingen alsook de continue monitoring zorgt voor een hoge kostprijs. Toch is het nog steeds interessanter om al die infrastructuur zelf te beheren. “Het is logisch om uit te besteden, maar niet altijd.”

Volgens Verbist heeft De Persgroep zo al 22 miljoen aan kosten bespaard door te insourcen en dingen af te stoten. Maar voor je gaat insourcen moet er altijd een kritische massa zijn om het te overwegen. Al gaat ook dit mediabedrijf niet alles zelf doen. Zo gebeurt de distributie van de iPad-krant extern omdat dat, telkens voor korte tijdsperiodes, enorm veel bandbreedte vraagt.

Ervaring binnenshuis nodig

Een belangrijk punt dat Verbist aanhaalt is de waarde van de werknemers. Als je IT-infrastructuur intern wil houden moet er ook personeel zijn dat ervaring kan opbouwen. Het duurt al een jaar voor iemand grondig is ingewerkt in het datacenter. Dat wil zeggen dat mensen aantrekkelijke voorwaarden moeten hebben zodat ze zeker 10-15 jaar bij het bedrijf blijven.

Patrick Hendrickx, director managed services bij Atos. Het bedrijf is vooral bekend via Atos Worldline dat het betalingsverkeer in ons land regelt, maar levert ook managed services, system integration en consulting & technology services. Hij vertelt onder meer dat zijn bedrijf nu vier datacenters heeft, al is het de bedoeling om er daar twee van af te bouwen en op de overige twee te focussen.

“Het loont om de zaken goed op elkaar af te stemmen.” Zo verwacht hij dat het stroomverbruik per vierkante meter zal stijgen omdat er meer virtualisatie komt. Tegelijk moet er gelet worden op de aanpasbaarheid van de capaciteit en de uitstoot. Want hoe energie-efficiënter je datacenter hoe goedkoper het wordt om applicaties te laten draaien of data te bewaren..

Resilliëntie is ook geen onbelangrijke factor. Twee identieke datacenters op de twee locaties worden met meerdere glasvezelkabels verbonden die aparte trajecten hebben. Vogelvlucht liggen de twee datacentra 40 kilometer van elkaar. De kabellengte komt op 55 kilometer.

Serge Bogaerts, IT & QA support group leader bij Cenaero heeft een andere aanpak wat datacenters betreft. Cenaero is een onderzoekscenter op initiatief van enkele waalse bedrijven, universiteiten en de intercommunale IGRETEC. Maar het centrum wil flexibel zijn en kiest daarom voor een datacenter in een container. Onder meer omdat uitbreiding fel afhankelijk is van projectinvesteringen en omdat Cenaero zijn eigen gronden niet bezit, biedt een container de mogelijkheid van een mobiel datacenter.

Theorie Vs. praktijk

In theorie lijkt het zeer mooi, een datacenter waar je containers bijplaatst of kan verhuizen naargelang de noden. Maar Bogaerts benadrukt dat het niet zo ‘plug & boot’ is zoals het lijkt. “Er is altijd een minimuminfrastructuur (stroom, netwerk enz…) nodig vooraleer je zoiets kan uitzetten.” Het is dus meer dan een betonplaat gieten en er vervolgens een container op plaatsen. Wel is Bogaerts tevreden van de stroomefficiëntie. Zijn organisatie verwachtte een PUE van minder dan 1,3. De (nog onbevestigde) resultaten geven momenteel een PUE van 1,15 aan.

Andere data, andere noden

Peter Hellemans, hoofd managed operations bij serviceprovider NRB, benadrukt dat elke type data andere noden heeft. Je hebt bedrijven die om compliance-redenen een infratructuur nodig hebben, bijvoorbeeld ziekenhuizen. Anderzijds zijn er bedrijven waar IT de business vooruit moet duwen. Tegelijk is niet alle data even belangrijk.

De klanten van NRB vragen volgens Hellemans steeds meer wat belangrijk, en dus altijd beschikbaar, moet zijn en waar het minder nauw steekt. Niet onlogisch want er komt veel geld bij kijken. “Klanten moeten oplossingen op maat hebben. goedkoper voor niet kritische zaken en duurder voor top diensten.”

Wat het bouwen van datacenters betreft geeft Hellemans enkele tips. Zo moet u er voor de locatie zeker van zijn dat het niet om overstromingsgebied gaat of niet in de buurt ligt van chemische opslagplaatsen. Ook dataconnectiviteit mag u niet vergeten. “Er moet last mile fiber access zijn”, alleen dan kunnen twee datacenters functioneren als één georesiliënt datacenter.

De afstanden tussen die centers speelt daarbij een rol. Hoe verder van elkaar hoe groter de kans dat tenminste één van de twee veilig is bij een ramp. Maar tegelijk mag de reactietijd tussen beiden nauwelijks verschillen. “Niet de vogelvlucht maar wel de kabellengte is daarbij belangrijk” nuanceert hij. Zelf beschouwt hij een afstand van 20 km als het absolute minimum. 40-50 kilometer is een goed evenwicht maar vanaf 80-100 kilometer stijgt de latency.

Zelf bouwen of niet?

Tijdens dit seminarie zijn er verschillende scenario’s gegeven waarin het beter is om zelf een datacenter te bouwen en onderhouden of net om het uit te besteden. Hellemans ziet drie mogelijkheden als u het zelf doet: bouwen, kopen of in colocatie. Wel waarschuwt hij voor te enthousiaste CIO’s. Want zelfs als u goed studeert en onderzoekt is er een waaier aan elementen die u over het hoofd kunt zien.

Zo zijn er altijd onverwachte dingen en komt u tijdens het uitwerken en bouwen tot veel vaststellingen waar u eerder niet aan dacht. Aldus Hellemans die op korte tijd drie datacenters uit de grond stampte en naar eigen zeggen nog steeds dingen ontdekt die hij achteraf gekeken wou implementeren. “Als u de expertise niet heeft, begin er dan niet aan.”